Gentherapie; en als het gen ontsnapt?
23 juli 2010
Verontruste burgers van de site gentechvrij.nl maken zich zorgen om milieu- en gezondheidsproblemen naar aanleiding van een gentherapieproef in Leiden. Een los stukje DNA dat de patiënt helpt kanker te bestrijden wordt via de huid ingebracht. Maar wat nu als het losse DNA per ongeluk zoek raakt? Een reactie uit Leiden zelf.

- Het Leids Universitair Medisch Centrum, waar op dit moment de gentherapieproef plaatsvindt. ____________________________________________________________________________
Eerder dit jaar stuurden zogeheten Gentechvrije burgers van gentechvrij.nl een bezwaarschrift naar de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) om zich over de gentherapieproef te beklagen. De briefschrijvers waren het niet eens met vergunning die VROM afgaf voor het onderzoek in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). In dat onderzoek voeren wetenschappers gentherapie uit – het inbrengen van nieuw DNA om patiënten helpen te genezen. In dit geval tatoeëren artsen een cirkelvormig stukje DNA, ook wel een plasmide genaamd, in de huid van uitbehandelde kankerpatiënten. Het DNA is als het ware een instructieboekje voor het lijf om de kanker te bestrijden. De Leidse wetenschappers tatoeëren de huid omdat je het DNA daarmee snel bij levende opperhuidcellen krijgt die het kunnen opnemen.
De precieze klacht van de Gentechvrije burgers? Het plasmide is een gevaar voor mens en milieu. Zeker als per ongeluk buiten de patiënt terechtkomt. VROM reageerde door een brief terug te sturen met als bijlage een wetenschappelijk geschreven brief van de Nederlandse veiligheidsdienst voor gentechnologie, het COGEM. De kern van de boodschap is: er is niets aan de hand. Er zal geen apocalyptische verspreiding van de killer-plasmiden plaatsvinden.
Gijsbert van Willigen, milieuveiligheidsfunctionaris voor gentherapie bij LUMC, vroeg de vergunning aan bij VROM en sluit zich aan bij het idee dat de proef veilig is. En hieronder licht hij dat toe.
Eerst even over DNA tatoeëren: in hoeverre is dat een beproefde manier om genen in mensen te brengen? Bijvoorbeeld ten opzichte van gentherapie waarbij virussen het DNA in de cellen van de patiënt kopiëren?
“Nou, DNA tatoeëren en injecties van DNA zijn nieuwer dan gentherapie met virussen, maar zijn inmiddels verder gevorderd. Er lopen voor DNA-injecties inmiddels meerdere Fase-III-onderzoeken” (Fase III wil zeggen dat de tatoeagemethode met succes dierproeven en kleinschalige mensproeven heeft doorstaan, en nu door veiligheidsinstanties goed is gekeurd voor de zogenaamde derde fase: op honderden patiënten tegelijk testen /redactie).
En wat doet het plasmide van de Leidse proef eigenlijk precies in kankerpatiënten?
“De patiënten hebben uitgezaaide huidkanker en het plasmide is als het ware een vaccin waarmee de patiënt zichzelf moeten kunnen wapenen tegen de kanker. Als hun opperhuidcellen het plasmide-DNA opnemen, maken die cellen een eiwit aan dat de aandacht van het immuunsysteem op de kanker richt. Dat komt doordat het eiwit deels uit een kankereiwit bestaat, het zogenaamde MART-1, plus een stukje onschadelijk tetanuseiwit. Dat laatste helpt het immuunsysteem om feller te reageren.”
“Het plasmide blijft niet lang actief. Na ongeveer drie dagen gaan de getatoeëerde huidcellen dood. Dat is normaal voor huidcellen. Maar het DNA uit het plasmide wordt niet vermenigvuldigd of doorgegeven aan andere huidcellen, dus na een paar dagen is de patiënt van eventuele bijwerkingen af.”

- Een plasmide is niets anders een sliertje DNA, opgerold als een cirkel. Wat het doet, hangt af van wat er in het DNA geschreven staat. _________________________
Wat voor bijwerkingen zijn er dan?
“Omdat afweercellen richting de tatoeage gaan, raakt het een beetje ontstoken op die plek. Dat betekent dat de tatoeage iets warmer en roder wordt. Zoals een muggenbultje.”
Wat gebeurt er als de plasmiden buiten de patiënt terechtkomen?
“Het meest waarschijnlijke is dat er niets gebeurt. De meeste stukken kwijtgeraakt DNA komen nooit één levende cel tegen en gaan vanzelf stuk. Bovendien vindt de behandeling plaats in de polikliniek: dat betekent dat er veiligheidsprocedures gevolgd worden wanneer er per ongeluk iets op de grond valt. Als het DNA bijvoorbeeld op de vloer van de kamer terechtkomt, ontsmet iemand die plek met alcohol en een doekje.”
“Als de behandelende arts per ongeluk zelf geprikt wordt, dan krijgt hij hooguit een kleine ontsteking op die plek. Omdat de huidcellen die de plasmide hebben opgenomen na drie dagen dood zijn is de ontsteking dan ook voorbij.”

- Een gewone tatoeage. Wel met een afbeelding van DNA. Een DNA-tatoeage is wat anders: de arts tatoeëert een klein puntje in de huid, diep genoeg om nieuw DNA in tot in de opperhuidcellen te injecteren. _________________________
Maar is het dan niet gevaarlijk als een bacterie in aanraking komt met het plasmide, en deze zelf opneemt? Kan die bacterie dan niet gevaarlijk voor het milieu worden?
“Ga er maar van uit dat een bacterie die in aanraking komt met het plasmide hem niet zal opnemen. In de natuur zijn maar een klein aantal bacteriesoorten die DNA kunnen opnemen. In een laboratorium, waar onderzoekers hun best doen om bacteriën te dwingen plasmiden op te nemen, lukt dat maar bij één op de miljoen bacteriën. Bovendien kunnen alleen bacteriën van de Entero-familie – die gewoonlijk ook in je darm leven – het plasmide vermenigvuldigen. De ziekenhuisbacterie MRSA hoort daar niet bij. De kans op overname van het plasmide is, zoals we zeggen, verwaarloosbaar klein.”
“Mocht een bacterie toch het plasmide opnemen, dan is er nog steeds niets aan de hand. Zo’n bacterie heeft namelijk niets aan het plasmide-DNA. En bacteriën ontdoen zich altijd heel snel van nutteloos DNA. In het ergste geval houdt de bacterie het DNA wel. We verwachten dat hij dan misschien resistent is geworden tegen de antibiotica kanamycine en neomycine. Maar ook dat is geen punt, want de meeste antibiotica-kuren houden al rekening met deze resistentie. Plus, deze resistentie geeft de bacteriën geen verder voordeel.”
Zo te horen is het maar lastig om een plasmide ergens fatsoenlijk af te leveren. Is het ook zo moeilijk voor de kankerpatiënten om een plasmide te ontvangen?
“Ja, dat is heel, heel erg lastig. De meeste opperhuidcellen nemen de plasmiden niet op. Daarom voegen de wetenschappers vaak stoffen toen om de opname bij menselijke cellen te bevorderen. Maar in de studie in Leiden doen ze dat trouwens niet zo.”
Als het zo moeilijk is om het plasmide in mensencellen te krijgen, waarom denken de Leidse wetenschappers dat het zal werken?
“Of de proef zal slagen weten natuurlijk niet zeker. De verwachting is uiteraard: ja, het zal helpen. De afweerreactie vecht hopelijk tegen de kanker. Maar voordat we dat zeker weten, vindt juist die proef plaats.”
Lees ook
Gentherapie tegen HIV lijkt haalbaar (Kennislink)
Gentherapie redt donorlong (Kennislink)
Niet meer kleurenblind dankzij nieuw gen (Kennislink)
Nano- en gentherapie houdt kanker klein (Kennislink)
Gentherapie zonder virus nabij (Kennislink)
De redactie is benieuwd naar jouw mening over dit artikel. Klik hier om te reageren.